Banner
Toen
De economische betekenis van het trekpaard

Het paard leverde, naast de runderen, de trekkracht op het landbouwbedrijf.
De industriële revolutie van de 19e eeuw werd als grote bedreiging gezien voor de paardenfokkerij.

Achteraf bleek de toenemende industrie een grote afnemer van paarden te zijn.
Pas later zal de opkomst van de explosiemotor het paard gaan verdringen.
Vooral delandbouwmechanisatie met tractor had de grote afbouw van de paardenstapel tot gevolg.
De paardenfokkerij en -houderij waren ervoor in de handen van kapitaalkrachtige landbouwers.

Tot voor de tweede wereldoorlog was het paard nog een van het belangrijkste bezit op de kleine boerderij. Behalve als trekdier op het landbouwbedrijf, werden trekpaarden ook nog voor andere doeleinden gebruikt. Hieronder bespreken we er enkele.

Paarden in de bosbouw


Nu worden er nog steeds enkele Belgische trekpaarden in de bosbouw gebruikt.
Ze slepen gekapte bomen uit de bossen.
De paarden kunnen tot midden in het bos komen.
Daar kunnen moderne machines niet komen.
De paarden maken ook veel minder planten kapot dan machines.

mallejan_1_thumb mallejan_2_thumb
mallejan_3_thumb mallejan_6_thumb
mallejan_7_thumb mallejan_8_thumb
mallejan_9_thumb


Paarden in de mijnbouw

Werken in de Limburgse ondergrond betekende niet alleen hard labeur voor de mijnwerkers.
Ook zwoegende trekpaarden lieten hun deel van het zweet daar.
Niet alleen trokken de paarden ondergronds kolenwagens, er waren er ook bovengronds.
Die werden dan onder meer ingeschakeld in het houtpark.
Verder waren er nog dieren die kolen naar de woningen van de mijnwerkers moesten brengen of waarmee vuilnis opgehaald werd.
Allemaal droegen ze een grote bel, een klongel genaamd, zodat je ze al van ver hoorde aankomen.
Het was geen sinecure om de
paarden in de donkere liftkooi te krijgen.
De dieren werden erg schuw door het lawaai en de duisternis.

Daarom werd er altijd een zak over het hoofd getrokken.
Beneden werd niet altijd even vakkundig met de dieren omgesprongen.
Soms werd er flink ruw met de dieren omgegaan en liepen ze kwetsuren op.
Er was ook een verschil tussen luie en werklustige paarden.
Wat zeer dikwijls gebeurde, was dat de mijnwerkers de goede, werklustige paarden verschillende posten na elkaar lieten werken.
Maar na een tijdje waren die dieren natuurlijk helemaal bekaf.

alt

Voor de putpaarden was er ook .een speciale uitrusting.
Zo was het hoofdstel voorzien van een soort helm, een leren kussen dat tussen de oren van het paard lag.
Die leren lap moest het paardenhoofd beschermen in de lage mijngangen.
Een paard kan zich immers niet bukken.

Hoewel het trekpaard voor zeer veel doeleinden werd gebruikt, werd hij uiteindelijk toch verdrongen door de opkomst van de explosiemotor.
Hierdoor moest er een nieuwe bestemming voor dit ras worden gevonden.
Deze was de omvorming tot vleespaard.
Zo werd het gedrongen krachtige trekpaard, omgevormd tot een groot, log en zwaar ras.
De laatste jaren wordt het trekpaard echter ook steeds meer en meer als recreatiepaard gebruikt.
Zijn rustige aard en "schattige" uiterlijk maken hem bij veel paardenliefhebbers het perfecte hobbydier!

Paardenkrachten ondergronds

Tot aan het begin van de vorige eeuw vond het vervoer in de steenkolenmijnen hoofdzakelijk door slepers en paarden plaats. Ook de Domaniale Mijn gebruikte paardentractie, niet alleen bovengronds maar ook ondergronds. De stalmeesters Willem Jos. Bischoff en Huub Nievelstein zwaaiden de scepter over het Voerwezen, dat in het topjaar 1928 meer dan 170 paarden telde.

Max het mijnpaard

De eerste mijnpaarden kwamen in oktober 1866 in het ondergronds bedrijf. Het was een indirect gevolg van de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog waarvoor veel Duitse arbeiders onder de wapenen werden geroepen. Op hun beurt trokken de Kerkraadse mijnwerkers en masse naar de Pruisische mijnen in het Wurmrevier aan de overkant van de grens. Om het gemis aan arbeidskrachten op te vangen en de stijgende loonkosten in de hand te houden besloot de mijndirectie om voor het ondergrondse trekwerk paarden te gaan gebruiken.

Nu rijst natuurlijk de vraag hoe die grote beesten ondergronds kwamen? In sommige steenkolenmijnen gebruikte men hiervoor een soort leren tuigconstructie waarmee ze via de schachtbuis naar beneden werden getakeld. In andere mijnen gingen ze in een houten kist naar beneden. De Domaniale Mijn pakte het slimmer aan: de lift van de Willemschacht kreeg speciale hoge paardenkooien, zodat men de dieren snel en gemakkelijk naar beneden kon vervoeren.

Paardentram ondergronds op de Staatsmijn Wilhelmina. Het paard Mouton draagt een leren kap tegen verwondingen aan het hoofd (1909).

De Domaniale Mijn gebruikte ondergronds zware Belgische werkpaarden die traditiegetrouw welluidende namen meekregen als Wagram, Felix, Hercules, Forton, Flaks, Carnot, Belfast, Bulow, Geron, Houba of Milton. En natuurlijk Max, het populairste mijnpaard uit de Limburgse steenkolenmijnen. Aanvankelijk huurde men een tiental paarden van speciale verhuurbedrijven, maar met het toenemen van hun aantal nam de mijn ze zelf in eigendom.
alt
Voor de dieren golden geen speciale eisen, behalve dat het allemaal ruinen (gecastreerde hengsten) moesten zijn. Meestal bleven ze een jaar of tien onder de grond, tenzij ze eerder weg moesten omdat ze kwaadwillig, lui of schichtig waren geworden.



De paardenjongens
In de buurt van de lift waren ondergrondse paardenstallen ingericht, waar stalknechten er voor zorgden dat het de edele viervoeters aan niets ontbrak. Bij het begin van de dienst kwamen de paardenjongens hier hun dier afhalen, om het na afloop ter plekke ook weer af te leveren.

De paardenjongen had strikte opdracht om behoorlijk met het hem toevertrouwde paard om te gaan. Hij mocht zijn dier nooit afbeulen of lasten laten dragen die te zwaar waren. Om verwondingen aan de hoeven te voorkomen moest hij zorgen dat de wissels goed waren opgevuld, vooral in het hartstuk. Verder had hij de instructie om het paard nooit in de wissel te laten aantrekken. Tijdens het vervoer droeg de laatste wagen van het treintje een helbrandende lamp, terwijl de paardenjongen met zo’n zelfde lamp voor het paard uit moest lopen.
alt
De ondergrondse paardenstal op de 260 mV van de Domaniale. De paardenjongen rechts is de latere meester-opzichter Giel Wiertz (1924).

Blessures aan benen en hoeven

Ondanks alle goede zorgen eiste het zware werk in de smalle, donkere gangen zijn tol. Door het trekwerk op de sporen kwamen veel blessures aan benen en hoeven voor en menig putpaard werd op den duur slechtziend als gevolg van het jarenlange verblijf in de duisternis. Ook voor de slepers en paardenjongens was het werk levensgevaarlijk, vooral in laadplaatsen en hellende transportgalerijen. Een trap van een paard of beknelling tussen mijnwagentjes was aan de orde van de dag, soms met dodelijke afloop.

Om het grote aantal ongevallen terug te dringen vaardigde de Ingenieur der Mijnen C. Blankevoort in zijn jaarverslag over 1903 de volgende richtlijnen uit:

    "De trekdieren mogen niet voorgespannen worden voordat alle wagens zijn aangekoppeld. Het lemoen tot bevestiging der strengen moet niet op den grond sleepen en gemakkelijk kunnen worden losgemaakt. Bij ontsporing dient het eerst het trekdier uitgespannen te worden en eerst na herstel van het in ongereede geraakte mag het weeder aangespannen worden. De snelheid van trekdieren mag niet grooter zijn dan 3 meter per seconde. Aan den achterwand der laatste wagen van een kolentrein moet een helbrandende van verre zichtbare lamp zijn aangebracht. Galerijen met trekdierentransport moeten zóó wijd zijn dat het trekdier zich niet kan verwonden. Als voerman mogen geen jeugdige of lichtzinnige personen worden gebezigd."

Anders dan mijnwerkers hadden paarden in de mijnen zelden last van stoflongen. Wel kwamen vaak oogontstekingen voor en waren ze erg bevattelijk voor kou en tocht. Als een paard stond te rusten mocht het daarom nooit met het hoofd tegen de luchtstroom in staan. Door gebrek aan beweging en daglicht ontstond nogal eens ‘kwade droes’, een besmettelijke infectieziekte bij eenhoevige dieren.
alt
Ook bovengronds gebruikte men paarden voor het transport van steenkool. Let op het hoofdstel met belletjes (foto: © collectie Ploum, 1928).


Van overwerk waren ze niet gediend!

Het spreekt vanzelf dat op den duur een hechte band ontstond tussen mens en dier. De kompels hadden een zwak voor de mijnpaardjes, die naast de talrijke muizen de enige levende wezens waren onder de grond. Zij spraken met de beesten als hun kameraad, vertroetelden hen bij het boeteren met lekkere hapjes en het schijnt dat er zelfs paarden waren die meegenoten van een plukje pruimtabak.

De dieren waren schrander, ze hadden aan een half woord genoeg om te weten wat er van hun verwacht werd. Het verhaal wil dat ze zelfs konden tellen: een trein mocht maximaal tien kolenlorries bevatten, als het er één meer was verzetten de paarden geen stap totdat de extra wagen was afgekoppeld. En klokslag aan het eind van de sjiech draafden ze regelrecht terug naar de stallen, want van overwerk waren ze niet gediend. Dan kwamen de nissen in de mijngangen goed van pas voor de mijnwerkers!
alt
Dit beeld van een mijnwerker met zijn trouwe viervoeter staat bij het Zorgcentrum Hoog Anstel in Kerkrade (foto: © Toon Keulen, 2008).

Een paar keer per jaar kwam de veearts langs om de dieren te onderzoeken. Op 29 mei 1930 constateert dokter R. van den Hoek uit Barendrecht dat de verzorging van de paarden uitstekend is. "Maar", zo schrijft hij in zijn rapport, "ondanks de goede verzorging zijn veel paarden zwaar gedrukt door het gebruik van borsthaam in plaats van gareel. Dat geldt vooral voor de afdelingen van de 280 mV, waar de hoogte beperkt is. Bovengronds hebben verschillende paarden blessures: Barton loopt kreupel, Dachs heeft een ernstige hoornscheur in zijn achterhoef en Condor heeft mok aan zijn linkerachterbeen."

Als de beesten ongeveer veertien jaar oud waren, werden ze verkocht. Geromantiseerde boeken en verhalen doen ons geloven dat ze na hun pensioen in grazige weiden mochten genieten van een welverdiende oude dag. De realiteit was helaas anders: voor de mijn waren de paarden een productiemiddel en als ze niet meer bruikbaar waren gingen ze rechtstreeks naar de paardenslachterij. De opbrengst varieerde van ca. fl 160,- voor een slachtpaard tot ca. fl 400,- voor een paard dat bovengronds nog te gebruiken was.

alt
Mijnpaard in de Steenkolenmijn Valkenburg (foto: © P. Geilenkirchen,

Lees verder op http://www.domanialemijn.nl/frame2w_pk.php
met dank aan de medewerking van Paul Geilenkirchen

Commentaar (0)Add Comment

Schrijf commentaar

security code
Schrijf de volgende tekens


busy