Woordenboek voor paarden:
* Bak: Een plaats waar mensen de lol, van voorwaarts zijn, uithalen.
* Bit: Een manier waardoor iedere beweging van de ruiter wordt doorgegeven aan een zeer gevoelige paardenmond.
* Bokken: Manier om je ruiter te laten zien dat je het niet snapt/ te moeilijk vindt/of gewoon voor de fun. Tevens hobby van ruiters als ze thuis zijn.
* Dressuur: Een proces waarbij de ruiter langzaam respect leert krijgen voor het paard
* Hekwerk: Een grens die goede gras beschermd
* Biks: teken van 'beschaving'
* Kettingen op poetsplaat: Om je kracht te meten
* Sprong; Een kans voor zelfexpressie
* Smalle doorgang; Soort van puzzel.
* Eigenaar; Mens die de taak heeft gekregen van voeren
* Ruiter; Eigenaar die de grens overgaat
* Verzorger; Verwijderbare vervanging van een eigenaar, erg geschikt om je agressie op kwijt te raken. Zonder kans op minder voer.
* Trainer; Eigenaar met maffia connecties
* Dierenarts: Niet vliegende albino aasgier
Hét woordenboek voor de paardenliefhebbers:
Maandagziekte:
Gebeurt meestal na een weekend heerlijk buitenrijden, Symptomen; Niet uit bed kunnen komen om weer naar school of werk te gaan.
Koliek;
Treed vaak op als je de hele dag eet van een standje bij een paarden evenement.
Hengst;
Wat je meestal krijgt als je een merrie veulen wilt.
Endurence;
Het resultaat van als je paard in het bos schrikt en hard wegrent.
Biks;
Een dure substantie om een hele hoop mest te verkrijgen
Hekwerk;
Een decoratief bouwerk zodat je paard wat heeft om op de kauwen, tegen aan te schuren of om overheen te springen.
Vliegen;
Een excuus van een paard om te bokken, tegen je aan te schoppen of weg te lopen. Je kunt hem hiervoor niet straffen.
Galop;
De meest gebruikte gang op de terugweg naar de stal.
Opening;
een metalen of houten opening in bijv een hekwerk waar een paard zich prima mee amuseert.
Poetsen;
De kunst om het vuil van een paard te halen en het op je eigen lijf te krijgen.
Hooi;
Groen materiaal dat erg jeukt en dat zich meestal op en onder je kleding bevind. Vaak op de vreemdste plaatsen.
Kreupel;
Het beschrijf de gang van de ruiter nadat het paard op diens voet heeft gestaan.
Hoevenkrabber;
Een erg handig stukje gebogen metaal dat heel makkelijk de mest onder je schoenen verwijderd.
Hoefijzers;
Dure metalen dingen die paarden graag van zich verwijderen
Kruising;
Het fokproduct van onstabiele hekwerken.
Springen;
De karakterestieke beweging die een paard maakt als hij ingeent moet worden of als de smid komt.
Halstertouw;
Een lang zacht materiaal wat brandplekken veroorzaakt.
Dazen;
Bloed zuigende insecten die soms de grootte hebben van kleine vogels.
Parasieten;
Kleine kinderen die altijd in de weg lopen bij het stalwerk. Vaak in grote getalen aanwezig bij paarden evenementen.
Pinto;
Het kleureffect op een pas gewassen schimmel die voor een moment onbewaakt werd gelaten op stal.
Ringwormen;
Mensen die altijd voor je gaan staan bij evenementen zodat jij niets meer kan zien.
Zadel;
een duur leren geval dat de ruiter een vals gevoel van veiligheid geeft. Komt in vele vormen voor.
Slaap;
In welke staat je bent als je merrie gaat bevallen.
Zadelkamer;
Een kamer waar alle spullen zich bevinden die je nodig hebt het paard te trainen en waar je minstens 30 minuten naar moet zoeken voordat je iets gevonden krijgt.
Veelzijdigheid;
De kundigheid van een paardeneigenaar om om te gaan met een tractor, om hekwerk te repareren en om een losgebroken pony te vangen.
Divoza gids;
Een uitgebreide catalogus van dingen die je nog graag wilt hebben maar die net zijn uitverkocht of niet meer in de juiste kleur/maat verkrijbaar zijn.
Striemen;
Duidelijk zichtbare strepen op het gezicht van de ruiter, gecreeerd door de ruiter voor hem die de tak net iets te lang vasthield. Ook wel; Duidelijk zichtbare strepen op het gezicht van de ruiter gecreeerd door de staart terwijl diegene de hoeven uit krabte.
Schoft;
De reden waarom je een man zelden zonder zadel ziet rijden.
Jaarling;
De leeftijd waarop een paard alles vergeet wat je hem voorafgaand geleerd hebt.
Jong spul;
De term die gebruikt wordt voor paarden die oud genoeg zijn om te bijten en te schoppen, maar niet oud genoeg zijn om over je heen te lopen.
Dierentuin;
De typische atmosfeer die je vind rondom een paardenstal.
 |