Paardenkrachten ondergronds
Tot aan het begin van de vorige eeuw vond het vervoer in de steenkolenmijnen hoofdzakelijk door slepers en paarden plaats. Ook de Domaniale Mijn gebruikte paardentractie, niet alleen bovengronds maar ook ondergronds. De stalmeesters Willem Jos. Bischoff en Huub Nievelstein zwaaiden de scepter over het Voerwezen, dat in het topjaar 1928 meer dan 170 paarden telde.
Max het mijnpaard De eerste mijnpaarden kwamen in oktober 1866 in het ondergronds bedrijf. Het was een indirect gevolg van de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog waarvoor veel Duitse arbeiders onder de wapenen werden geroepen. Op hun beurt trokken de Kerkraadse mijnwerkers en masse naar de Pruisische mijnen in het Wurmrevier aan de overkant van de grens. Om het gemis aan arbeidskrachten op te vangen en de stijgende loonkosten in de hand te houden besloot de mijndirectie om voor het ondergrondse trekwerk paarden te gaan gebruiken.
Nu rijst natuurlijk de vraag hoe die grote beesten ondergronds kwamen? In sommige steenkolenmijnen gebruikte men hiervoor een soort leren tuigconstructie waarmee ze via de schachtbuis naar beneden werden getakeld. In andere mijnen gingen ze in een houten kist naar beneden. De Domaniale Mijn pakte het slimmer aan: de lift van de Willemschacht kreeg speciale hoge paardenkooien, zodat men de dieren snel en gemakkelijk naar beneden kon vervoeren.
Paardentram ondergronds op de Staatsmijn Wilhelmina. Het paard Mouton draagt een leren kap tegen verwondingen aan het hoofd (1909).
De Domaniale Mijn gebruikte ondergronds zware Belgische werkpaarden die traditiegetrouw welluidende namen meekregen als Wagram, Felix, Hercules, Forton, Flaks, Carnot, Belfast, Bulow, Geron, Houba of Milton. En natuurlijk Max, het populairste mijnpaard uit de Limburgse steenkolenmijnen. Aanvankelijk huurde men een tiental paarden van speciale verhuurbedrijven, maar met het toenemen van hun aantal nam de mijn ze zelf in eigendom.
 Voor de dieren golden geen speciale eisen, behalve dat het allemaal ruinen (gecastreerde hengsten) moesten zijn. Meestal bleven ze een jaar of tien onder de grond, tenzij ze eerder weg moesten omdat ze kwaadwillig, lui of schichtig waren geworden.
De paardenjongens In de buurt van de lift waren ondergrondse paardenstallen ingericht, waar stalknechten er voor zorgden dat het de edele viervoeters aan niets ontbrak. Bij het begin van de dienst kwamen de paardenjongens hier hun dier afhalen, om het na afloop ter plekke ook weer af te leveren.
De paardenjongen had strikte opdracht om behoorlijk met het hem toevertrouwde paard om te gaan. Hij mocht zijn dier nooit afbeulen of lasten laten dragen die te zwaar waren. Om verwondingen aan de hoeven te voorkomen moest hij zorgen dat de wissels goed waren opgevuld, vooral in het hartstuk. Verder had hij de instructie om het paard nooit in de wissel te laten aantrekken. Tijdens het vervoer droeg de laatste wagen van het treintje een helbrandende lamp, terwijl de paardenjongen met zo’n zelfde lamp voor het paard uit moest lopen.
 De ondergrondse paardenstal op de 260 mV van de Domaniale. De paardenjongen rechts is de latere meester-opzichter Giel Wiertz (1924).
Blessures aan benen en hoeven
Ondanks alle goede zorgen eiste het zware werk in de smalle, donkere gangen zijn tol. Door het trekwerk op de sporen kwamen veel blessures aan benen en hoeven voor en menig putpaard werd op den duur slechtziend als gevolg van het jarenlange verblijf in de duisternis. Ook voor de slepers en paardenjongens was het werk levensgevaarlijk, vooral in laadplaatsen en hellende transportgalerijen. Een trap van een paard of beknelling tussen mijnwagentjes was aan de orde van de dag, soms met dodelijke afloop.
Om het grote aantal ongevallen terug te dringen vaardigde de Ingenieur der Mijnen C. Blankevoort in zijn jaarverslag over 1903 de volgende richtlijnen uit:
"De trekdieren mogen niet voorgespannen worden voordat alle wagens zijn aangekoppeld. Het lemoen tot bevestiging der strengen moet niet op den grond sleepen en gemakkelijk kunnen worden losgemaakt. Bij ontsporing dient het eerst het trekdier uitgespannen te worden en eerst na herstel van het in ongereede geraakte mag het weeder aangespannen worden. De snelheid van trekdieren mag niet grooter zijn dan 3 meter per seconde. Aan den achterwand der laatste wagen van een kolentrein moet een helbrandende van verre zichtbare lamp zijn aangebracht. Galerijen met trekdierentransport moeten zóó wijd zijn dat het trekdier zich niet kan verwonden. Als voerman mogen geen jeugdige of lichtzinnige personen worden gebezigd."
Anders dan mijnwerkers hadden paarden in de mijnen zelden last van stoflongen. Wel kwamen vaak oogontstekingen voor en waren ze erg bevattelijk voor kou en tocht. Als een paard stond te rusten mocht het daarom nooit met het hoofd tegen de luchtstroom in staan. Door gebrek aan beweging en daglicht ontstond nogal eens ‘kwade droes’, een besmettelijke infectieziekte bij eenhoevige dieren.
 Ook bovengronds gebruikte men paarden voor het transport van steenkool. Let op het hoofdstel met belletjes (foto: © collectie Ploum, 1928).
Van overwerk waren ze niet gediend! Het spreekt vanzelf dat op den duur een hechte band ontstond tussen mens en dier. De kompels hadden een zwak voor de mijnpaardjes, die naast de talrijke muizen de enige levende wezens waren onder de grond. Zij spraken met de beesten als hun kameraad, vertroetelden hen bij het boeteren met lekkere hapjes en het schijnt dat er zelfs paarden waren die meegenoten van een plukje pruimtabak.
De dieren waren schrander, ze hadden aan een half woord genoeg om te weten wat er van hun verwacht werd. Het verhaal wil dat ze zelfs konden tellen: een trein mocht maximaal tien kolenlorries bevatten, als het er één meer was verzetten de paarden geen stap totdat de extra wagen was afgekoppeld. En klokslag aan het eind van de sjiech draafden ze regelrecht terug naar de stallen, want van overwerk waren ze niet gediend. Dan kwamen de nissen in de mijngangen goed van pas voor de mijnwerkers!
 Dit beeld van een mijnwerker met zijn trouwe viervoeter staat bij het Zorgcentrum Hoog Anstel in Kerkrade (foto: © Toon Keulen, 2008).
Een paar keer per jaar kwam de veearts langs om de dieren te onderzoeken. Op 29 mei 1930 constateert dokter R. van den Hoek uit Barendrecht dat de verzorging van de paarden uitstekend is. "Maar", zo schrijft hij in zijn rapport, "ondanks de goede verzorging zijn veel paarden zwaar gedrukt door het gebruik van borsthaam in plaats van gareel. Dat geldt vooral voor de afdelingen van de 280 mV, waar de hoogte beperkt is. Bovengronds hebben verschillende paarden blessures: Barton loopt kreupel, Dachs heeft een ernstige hoornscheur in zijn achterhoef en Condor heeft mok aan zijn linkerachterbeen."
Als de beesten ongeveer veertien jaar oud waren, werden ze verkocht. Geromantiseerde boeken en verhalen doen ons geloven dat ze na hun pensioen in grazige weiden mochten genieten van een welverdiende oude dag. De realiteit was helaas anders: voor de mijn waren de paarden een productiemiddel en als ze niet meer bruikbaar waren gingen ze rechtstreeks naar de paardenslachterij. De opbrengst varieerde van ca. fl 160,- voor een slachtpaard tot ca. fl 400,- voor een paard dat bovengronds nog te gebruiken was.
 Mijnpaard in de Steenkolenmijn Valkenburg (foto: © P. Geilenkirchen)
Lees verder op http://www.domanialemijn.nl/frame2w_pk.php met dank aan de medewerking van Paul Geilenkirchen
 |